Eetstoornissen zijn ernstige aandoeningen waarbij sprake is van verstoringen in het eetgedrag en daarmee samenhangende gedachten, gevoelens of gedragingen. Ze kunnen invloed hebben op de lichamelijke gezondheid, het psychisch welzijn en het dagelijks leven. Het zijn geen keuzes of tekenen van ijdelheid, en ze kunnen bij elke lichaamsomvang voorkomen. Vroege diagnostiek en passende behandeling kunnen helpen.
Soorten eetstoornissen
Anorexia nervosa
Bij anorexia nervosa leidt een beperkte voedselinname tot een significant laag gewicht, gezien de ontwikkeling en gezondheid van de persoon. Daarnaast is er angst voor gewichtstoename of gedrag dat gewichtstoename tegengaat, en een verstoorde beleving van het lichaamsgewicht of de lichaamsvorm. Het restrictieve subtype en het eetbuien-/purgerende subtype beschrijven klinische patronen; het zijn geen bewust gekozen manieren om af te vallen. Ernstige voedselbeperking kan ook voorkomen zonder laag lichaamsgewicht, onder meer bij atypische anorexia.
Boulimia nervosa
Bij boulimia is sprake van terugkerende eetbuien met controleverlies en compensatiegedrag, zoals braken, misbruik van laxeermiddelen, vasten of overmatig bewegen. Deze gedragingen kunnen ernstige medische complicaties veroorzaken. Op basis van alleen het uiterlijk kan de aandoening niet worden vastgesteld.
Eetbuistoornis
Bij een eetbuistoornis is sprake van terugkerende, belastende episodes waarin iemand ongebruikelijk grote hoeveelheden eet en daarbij controleverlies ervaart, zonder regelmatig compensatiegedrag zoals bij boulimia. Bij beide aandoeningen kunnen schaamte of schuldgevoelens voorkomen; het ontbreken van schuldgevoel is niet wat deze aandoeningen van elkaar onderscheidt.
Andere voedings- en eetstoornissen
Bij de vermijdende/restrictieve voedselinnamestoornis, of ARFID, is sprake van een beperkte voedselinname met gevolgen voor de voedingstoestand, groei of het functioneren, zonder de op gewicht en lichaamsvorm gerichte motivatie die kenmerkend is voor anorexia. De aandoening kan bij kinderen en volwassenen voorkomen. Bij pica eet iemand aanhoudend stoffen die geen voedsel zijn, terwijl dit niet passend is bij de ontwikkeling en culturele context. Bij de ruminatiestoornis wordt voedsel herhaaldelijk teruggebracht naar de mond; onderzoek naar medische en andere verklaringen is daarbij nodig. Ook andere gespecificeerde vormen kunnen ernstig zijn.
Signalen die aandacht verdienen
- Aanhoudende beperking van de voedselinname, spanning rond maaltijden of een steeds kleiner aantal voedingsmiddelen dat iemand accepteert.
- Terugkerende eetepisodes waarbij iemand controleverlies ervaart.
- Braken, misbruik van laxeermiddelen, vasten of overmatig bewegen om eten te compenseren.
- Een preoccupatie met voedsel, lichaamsvorm, gewicht of gespierdheid die het leven verstoort.
- Duizeligheid, flauwvallen, vermoeidheid, maag-darmklachten, veranderingen in de menstruatie of zorgen over de groei.
- Gezamenlijke maaltijden vermijden, zich sociaal terugtrekken of uitgesproken angst rond eten.
Geen enkel afzonderlijk symptoom, lichaamsgewicht of demografisch profiel bevestigt of sluit een eetstoornis uit. Mannen, vrouwen en genderdiverse personen kunnen ermee te maken krijgen. Sommige mensen maken zich weinig zorgen over hun uiterlijk, en niet iedereen valt af. Bij sporters kan beoordeling van voeding, beweging en prestatiedruk nodig zijn, zonder aan te nemen dat elk sportgerelateerd eetpatroon een stoornis is.
Waardoor ontstaan eetstoornissen?
Onderzoek wijst op een wisselwerking tussen genetische, biologische, psychologische en sociale invloeden. Familiegeschiedenis kan het risico beïnvloeden, maar bepaalt de uitkomst niet. Er zijn geen ‘duidelijk beschermende genen’ die bescherming garanderen. Gewichtsstigma, psychische belasting, restrictief diëten en andere factoren kunnen bij verschillende mensen op verschillende manieren bijdragen. Er mag niet worden uitgegaan van één enkele oorzaak.
Diagnostiek en screening
Een screeningsvragenlijst kan mogelijke problemen signaleren, maar kan op zichzelf geen eetstoornis vaststellen of uitsluiten. Vraag om een diagnostische beoordeling als klachten aanhouden ondanks een lage screeningsscore. Een behandelaar vraagt naar eten, bewegen, lichamelijke klachten, psychische gezondheid en dagelijks functioneren, en kan zo nodig lichamelijk onderzoek, bloedonderzoek of controle van de hartfunctie laten uitvoeren.
Bij elk gewicht kunnen aanzienlijke medische risico’s bestaan. Zoek met spoed medische hulp bij ineenstorten, pijn op de borst, ernstige uitdroging, bloed in braaksel, ernstige zwakte of acuut suïcidegevaar. Veranderingen in de voeding na een langdurige periode van onvoldoende voedselinname kunnen medische controle vereisen; een algemeen advies om zo veel mogelijk te eten is geen veilig alternatief voor een individueel plan.
Behandeling en herstel
De behandeling combineert doorgaans psychologische zorg, voedingsbegeleiding en passende controle van de lichamelijke gezondheid. De aanpak hangt af van de diagnose, leeftijd, risico’s en voorkeuren. Een diëtist met ervaring met eetstoornissen kan helpen een plan voor toereikende voeding op te stellen. Bij kinderen en jongeren kan betrokkenheid van het gezin een belangrijk onderdeel van de behandeling zijn, met aandacht voor toestemming en bescherming van hun veiligheid.
Op eetstoornissen gerichte cognitieve gedragstherapie en andere erkende psychologische behandelvormen kunnen passend zijn. CBT-E is een uitgebreide vorm van cognitieve gedragstherapie voor eetstoornissen; deze wordt niet simpelweg gedefinieerd door een ambulante setting of groepsbehandeling. Het aantal sessies en de reactie op de behandeling variëren. Een therapeut werkt samen met de cliënt en kan geen gedachten lezen of garanderen dat klachten niet terugkeren.
Medicatie kan helpen bij bepaalde eetstoornissen of bijkomende aandoeningen, maar vormt niet de enige behandeling. Toelating en indicaties verschillen per land en leeftijd. Geneesmiddelen voor gewichtsverlies of beïnvloeding van de eetlust mogen niet worden voorgesteld als algemene middelen tegen eetstoornissen. Sondevoeding is een medische interventie die wordt ingezet wanneer dit klinisch noodzakelijk is, met passende beoordeling en controle.
Veel mensen krijgen ambulante zorg. Afhankelijk van de medische en psychiatrische risico’s kunnen dagbehandeling, residentiële behandeling of ziekenhuiszorg nodig zijn. De behandelsetting en de duur van de behandeling moeten opnieuw worden beoordeeld wanneer de behoeften veranderen.


